Circulaire nr. AOIF
16/2004 (E.T.98.234) dd. 23.03.2004
Deze aanschrijving vervangt de
aanschrijvingen nr. 4 dd. 22.02.1995 en nr. 5 dd. 02.03.1995 met ingang van 01.05.2004.
VERPLICHTINGEN
BTW-register van de motorvoertuigen
garagehouder
vervoermiddel
Aan alle ambtenaren van de sector BTW
HOOFDSTUK I : ONDERWERP VAN DE
AANSCHRIJVING
1. De
artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 6 februari 2002, gepubliceerd
in het Belgisch Staatsblad van 15 februari 2002 en in werking getreden
op 1 april 2002, wijzigen artikel 28 en subsidiair artikel 25 van het
koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling
voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
2. Het nieuwe
artikel 28 verplicht de garagisten en, meer algemeen, de belastingplichtigen
die geregeld bepaalde handelingen met betrekking tot motorvoertuigen verrichten
om, per bedrijfszetel, een register te houden dat bestemd is voor de
inschrijving van alle voertuigen die binnenkomen in hun inrichting met het oog
op het ondergaan van één of meerdere van deze handelingen.
3. Dit
register vervangt voortaan het register van de voor verkoop bestemde
tweedehandse vervoermiddelen zoals beoogd in de aanschrijving nr. 4 van 22
februari 1995, evenals het register voor werken aan motorvoertuigen, beschreven
in de aanschrijving nr. 5 van 2 maart 1995.
In dit
opzicht wordt verwezen naar nummer 51 van de onderhavige aanschrijving.
4. Bovendien
heeft het houden van het register dat het voorwerp uitmaakt van de onderhavige
aanschrijving, rekening houdend met de wijziging aangebracht aan artikel 25 van
het voormeld koninklijk besluit nr. 1, eveneens tot gevolg dat, voor de
handelingen die moeten worden opgenomen in dit register, de verplichting wordt
opgeheven tot het houden van en het inschrijven in het register beoogd in
artikel 25, enerzijds van de goederen die hem door een belastingplichtige
worden toevertrouwd met het oog op de oplevering aan laatstgenoemde van een
maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het
BTW-Wetboek, en anderzijds van de goederen die hem vanuit een andere Lidstaat
werden toegezonden door of voor rekening van een in die andere Lidstaat voor
BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp uitmaken
van een expertise of van een materieel werk, ander dan een hiervoor
gedefinieerd maakloonwerk.
5. De
onderhavige aanschrijving vermeldt en becommentarieert de bepalingen waarop
deze nieuwe regeling steunt.
HOOFDSTUK II : VOORNAAMSTE
REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
6. Artikel
28, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking
tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde,
zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 6 februari 2002, bepaalt dat,
per bedrijfszetel, elke belastingplichtige die, in het kader van zijn
economische activiteit regelmatig één of meerdere van de volgende handelingen
verricht, een register dient te houden van de motorvoertuigen die in zijn
inrichting aanwezig zijn (hierna het register genoemd) :
Deze bepaling
is echter niet van toepassing op de belastingplichtigen die uitsluitend
handelingen van montage, assemblage of constructie van motorvoertuigen
verrichten.
7. Krachtens
artikel 28, § 2, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 moet dit register
door de betrokken belastingplichtige worden aangevuld door het inschrijven van
:
1° zodra een voertuig binnenkomt in
zijn inrichting teneinde er het voorwerp uit te maken van een handeling bedoeld
in artikel 28, § 1, van dit koninklijk besluit, een volgnummer, de datum van
binnenkomst van het voertuig in zijn inrichting, de nummerplaat of, bij gebrek
daaraan, het chassisnummer van het voertuig en, in voorkomend geval, het
identificatienummer van de opdrachtgever toegekend door een andere Lidstaat van
de Europese Unie en de in deze aanschrijving bepaalde code die de aard van de
handeling identificeert;
2° wanneer het voertuig zijn
inrichting verlaat, de uitgaande datum;
3° ten laatste op het einde van de
maand volgend op die waarin het voertuig zijn inrichting heeft verlaten, een
verwijzing naar de factuur of, bij gebrek daaraan, naar het in artikel 10 van
het voormeld koninklijk besluit nr. 1 beoogd verantwoordingsstuk of naar een
ander verantwoordingsstuk bedoeld in artikel 15, § 2, van het voormeld
koninklijk besluit nr. 1, of nog, de reden waarom geen enkel stuk werd
opgemaakt.
HOOFDSTUK III : IN HET REGISTER IN TE
SCHRIJVEN VOERTUIGEN EN HANDELINGEN
8. De
aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in het register in te schrijven
handelingen zowel handelingen kunnen zijn met of zonder medecontractant en die
hetzij onder bezwarende titel hetzij kosteloos kunnen worden
verricht.
Voorbeeld :
Een klant
brengt zijn geaccidenteerd voertuig binnen in zijn garage opdat zijn
garagehouder hem een bestek zou opmaken voor de herstelling. Er werd
overeengekomen dat de opmaak van dit bestek volledig gratis is. De garagehouder
moet deze handeling inschrijven in zijn register ondanks het feit dat ze
kosteloos wordt verricht.
Afdeling 1 : De beoogde
voertuigen
1. Motorvoertuigen
9. De
voertuigen beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register zijn de
motorvoertuigen. Artikel 28, § 3, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1
van 29 december 1992 definieert de motorvoertuigen als zijnde elk landvoertuig uitgerust
met een motor onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving.
De voertuigen
met een cilinderinhoud van minder dan 50 cm³ worden niet beoogd door de
verplichting tot inschrijving in het register.
Voorbeelden van
beoogde voertuigen die bijgevolg moeten worden ingeschreven in het register
: personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik, minibussen, autobussen of
autocars, motorhomes, vrachtwagens, bestelwagens, tractoren (voor landbouw,
bosbouw of andere doeleinden, voor zover ze het voorwerp moeten uitmaken van
een inschrijving), motorfietsen.
Voorbeelden van
niet beoogde voertuigen die bijgevolg niet moeten worden ingeschreven in het
register : de
aanhangwagens van de voormelde voertuigen evenals de kampeerwagens en de
bromfietsen.
10. Alleen de
voormelde motorvoertuigen die niet toebehoren aan de belastingplichtige
die dit register moet houden, moeten worden ingeschreven in het register, behoudens
wanneer laatstgenoemde deze voertuigen verwerft met het oog op de wederverkoop
(zie afdeling 2 hieronder), of wanneer hij een andere bestemming toekent aan de
voertuigen die hem toebehoren, dit wil zeggen wanneer hij ze in zijn inrichting
te koop aanbiedt.
Voorbeeld
Een door een
garagehouder aan zijn klant verhuurd voertuig dat wordt onderhouden op
initiatief en op kosten van de garagehouder in zijn inrichting, dient niet te
worden ingeschreven in zijn register.
2. De nieuwe of gebruikte voertuigen
11. De eerste
categorie van handelingen beoogd door de verplichting tot inschrijving in het
register zijn de leveringen van goederen en/of dienstverrichtingen met betrekking
tot hetzij een nieuw, hetzij een gebruikt voertuig.
In de meeste
gevallen betreffen deze handelingen een gebruikt voertuig. Evenwel dient de
aandacht te worden gevestigd op het feit dat welbepaalde nieuwe vervoermiddelen
soms toch het voorwerp dienen uit te maken van een inschrijving in het
register. Het betreft nieuwe vervoermiddelen die aanwezig zijn in de inrichting
van de belastingplichtige en waaraan laatstgenoemde op vraag van zijn klanten
een handeling moet verrichten vooraleer deze voertuigen aan hen worden
geleverd.
Voorbeeld :
Een klant
koopt bij een concessionaris een nieuw vervoermiddel dat hij in de showroom
heeft uitgekozen. De klant wenst echter dat de concessionaris een LPG-systeem
installeert in dit voertuig. De levering met installatie van dit LPG-systeem
door de concessionaris in zijn inrichting moet het voorwerp uitmaken van een
inschrijving in zijn register.
12. De tweede
en derde categorie van handelingen beoogd door de verplichting tot inschrijving
in dit register hebben enkel betrekking op gebruikte voertuigen, daar ze
leveringen van tweedehandse motorvoertuigen betreffen alsmede elke tussenkomst
als tussenpersoon bij deze leveringen.
Afdeling 2 : De beoogde handelingen.
13. De drie
categorieën van handelingen met betrekking tot motorvoertuigen,
beoogd door artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december
1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de
toegevoegde waarde, die het voorwerp moeten uitmaken van een inschrijving in
het register, worden hierna beschreven.
Eerste categorie
van handelingen : de leveringen en/of dienstverrichtingen betreffende een
motorvoertuig, met uitzondering van het wassen van goederen
14. Hier
worden alle leveringen van goederen en alle dienstverrichtingen beoogd, met
uitzondering van het wassen van goederen als bedoeld in artikel 22, § 1, 3°,
van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, die worden verricht door
de belastingplichtige die het register moet houden en die betrekking hebben op
elk motorvoertuig, ongeacht of dit een nieuw of een gebruikt
voertuig is.
Leveringen van goederen
15. Onder de
levering van een goed moet worden verstaan, de overdracht van de macht om als
een eigenaar over een goed te beschikken (artikel 10 van het BTW-Wetboek).
Door de
verplichting tot inschrijving in het register worden de leveringen van goederen
met betrekking tot elk motorvoertuig beoogd.
Dit betekent
dat de levering zelf van het motorvoertuig niet is bedoeld (zie evenwel de
hierna beschreven tweede categorie van handelingen betreffende de levering van
tweedehandse motorvoertuigen) maar dat het de leveringen van goederen met
betrekking tot dit motorvoertuig zijn die worden beoogd door de verplichting
tot inschrijving in het register.
Bovendien
moeten enkel de leveringen van goederen met betrekking tot een motorvoertuig in
het register worden ingeschreven indien zij aanleiding geven tot het verrichten
van een installatie of een montage in dit voertuig door de leverancier van het
goed of voor zijn rekening, gegeven het feit dat het binnenkomen van
het motorvoertuig in de inrichting van de belastingplichtige die het
register moet houden, met het oog op het eraan verrichten van een levering van
goederen, het motief is voor de inschrijving in het register.
Begrip inrichting van de
belastingplichtige
16. Onder
inrichting wordt verstaan, elke plaats, in een gesloten of open ruimte,
waar de belastingplichtige zijn economische activiteit uitoefent. Bijgevolg
worden zowel de binnen- als de buiteninrichting van de belastingplichtige
bedoeld.
Bovendien
moet de betrokken belastingplichtige niet noodzakelijkerwijze de eigenaar zijn
van de genoemde inrichting of over een zakelijk recht op die inrichting
beschikken (vruchtgebruik, erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid), een economisch
gebruiksrecht daaromtrent volstaat (huurcontract, recht om een economische
activiteit uit te oefenen,…).
Het betreft
concreet garages, parkings, toonzalen, loodsen, werkplaatsen of andere plaatsen
waar de betrokken voertuigen worden ondergebracht.
Worden
evenwel niet beoogd de plaatsen zoals salons, beurzen,… waar deze voertuigen
worden tentoongesteld gedurende een periode van niet meer dan 15 opeenvolgende
kalenderdagen (voorbeeld : het autosalon).
De
verplichting tot inschrijving in het register is bijgevolg niet van toepassing
op werken verricht buiten de inrichting van de belastingplichtige (zo geeft,
bijvoorbeeld, het depanneren van een motorvoertuig op de openbare weg of bij de
klant zelf geen aanleiding tot een inschrijving in het register, maar het
spreekt voor zich dat de verplichting tot inschrijving wel van toepassing is
wanneer het voertuig uiteindelijk in de inrichting van de belastingplichtige
moet worden gebracht en er aldaar werken worden aan uitgevoerd).
Voorbeeld :
De verkoop
van een autoradio door een garagehouder moet niet worden ingeschreven in zijn
register wanneer deze garagehouder niet instaat voor de installatie of montage
ervan in het voertuig. Anderzijds, ingeval deze garagehouder de installatie of
montage van deze autoradio in het voertuig op zich neemt, is hij gehouden deze
handeling in te schrijven in zijn register indien het voertuig wordt
binnengebracht in zijn inrichting.
Dienstverrichtingen
17. Als een
dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is
(artikel 18 van het BTW-Wetboek).
Met
uitsluiting van het wassen, moeten alle dienstverrichtingen met betrekking
tot een motorvoertuig het voorwerp uitmaken van een inschrijving in het
register.
Het betreft
inzonderheid herstellingswerken, onderhoudswerken, of meer specifieke werken
zoals de behandeling tegen roest, de installatie van een alarm- of een
LPG-systeem, maar ook een expertise of een beoordeling van het voertuig, het
opmaken van een bestek, enz.
Anderzijds
worden de handelingen die gebruikelijk aan nieuwe vervoermiddelen worden
verricht, niet beoogd (wegklaar maken, enz.).
Het motief
voor de inschrijving in het register van de betrokken belastingplichtige is ook
hier het binnenkomen van het motorvoertuig van een derde in zijn inrichting
(gedefinieerd in nummer 16 hiervoor) met het oog op het eraan verrichten van
een dienst.
De
ondernemingen wier gebruikelijke activiteit bestaat uit het verlenen van
rechten van genot met betrekking tot motorvoertuigen (leasing-,
verhuurondernemingen) worden voor wat deze handelingen betreft aldus niet
beoogd door de verplichting tot het houden van het register.
Tweede categorie
van handelingen : de levering van tweedehandse motorvoertuigen
18. Alleen de
leveringen van tweedehandse motorvoertuigen worden hier beoogd, het betreft met
andere woorden de leveringen van gebruikte voertuigen.
Artikel 28, §
3, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 definieert een
tweedehands motorvoertuig als zijnde elk landvoertuig uitgerust met een motor
onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving (zie definitie
nummer 9 hiervoor), met inbegrip van de voertuigen beoogd in artikel 8bis, § 2,
eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek, welke als zodanig of na herstelling
geschikt zijn om opnieuw te worden gebruikt.
Worden aldus
beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register de leveringen van
personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik, minibussen, autobussen of autocars,
motorhomes, vrachtwagens, bestelwagens, tractoren (voor landbouw, bosbouw of
voor andere doeleinden), motorfietsen, … die reeds het voorwerp hebben
uitgemaakt van een eerste inschrijving, of die minstens reeds werden
gebruikt, zelfs indien hun levering plaatsvindt binnen de zes maanden na de
datum van hun eerste ingebruikneming of indien ze niet meer dan 6.000 kilometer
hebben afgelegd.
19. De leveringen
van motorvoertuigen die de belastingplichtige onderwerpt aan de bijzondere
regeling van belastingheffing over de winstmarge als bedoeld in artikel 58, §
4, van het BTW-Wetboek, worden bijgevolg eveneens beoogd door de verplichting
tot inschrijving in het register, en dit onafhankelijk van het naleven van de
andere specifieke verplichtingen voorzien in het kader van de genoemde
bijzondere regeling. De aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995 betreffende de
bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse
vervoermiddelen blijft integraal van toepassing.
20. Gezien
het binnenkomen van het motorvoertuig in de inrichting (gedefinieerd in nummer
16 hiervoor) van de belastingplichtige die het register moet houden aan de basis
ligt van de inschrijving in zijn register, moeten de verzekeringsondernemingen
die gewoonlijk de voertuigen verkopen waarvan zij eigenaar zijn geworden en die
daartoe niet over een eigen inrichting beschikken waarin de genoemde voertuigen
worden ondergebracht, geen register bijhouden. Indien deze voertuigen worden
verkocht door bemiddeling van de garagehouder in wiens inrichting zij werden
ondergebracht, dient laatstgenoemde belastingplichtige de voertuigen op te
nemen in zijn register (zie derde categorie van handelingen hieronder).
Derde categorie
van handelingen : de tussenkomst als tussenpersoon in de levering van
tweedehandse motorvoertuigen
21. Hier
wordt de tussenkomst beoogd bij de levering van tweedehandse
motorvoertuigen (voor wat betreft het begrip tweedehands motorvoertuig :
zie nummer 18 hierboven) van een tussenpersoon die niet handelt onder de
voorwaarden van artikel 13, § 2, van het BTW-Wetboek, met andere woorden van
iemand die louter optreedt als makelaar of lasthebber.
De tussenpersonen
die handelen onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het BTW-Wetboek,
worden geacht in hun eigen naam te kopen en te verkopen en de toepasselijke
regeling voor de leveringen van tweedehandse motorvoertuigen waarbij zij
tussenkomen is die beschreven in de tweede categorie van handelingen hiervoor.
Indien deze
tussenkomst plaatsvindt zonder dat het motorvoertuig binnenkomt in de
inrichting van de tussenpersoon, dient geen enkele inschrijving te worden
aangebracht in het register.
Ingeval de
tussenpersoon over geen enkele inrichting beschikt om reden dat de voertuigen
rechtstreeks worden geleverd door de verkoper aan de koper, dient hij volgens
dezelfde gedachtegang geen register te houden.
HOOFDSTUK IV : BELASTINGPLICHTIGEN
DIE HET REGISTER MOETEN HOUDEN.
22. Alle
belastingplichtigen die geregeld één of meerdere van de in hoofdstuk III
hiervoor beoogde handelingen verrichten moeten het register houden.
23. Behoudens
de garagehouders worden derhalve in ieder geval beoogd door deze
bepaling :
·
de
"uitlaatcentra" die zich al dan niet uitsluitend bezighouden met het
herstellen en het vervangen van uitlaten van motorvoertuigen;
·
de
belastingplichtigen van wie de activiteit, al dan niet uitsluitend, bestaat uit
het verkopen met plaatsing en het plaatsen van banden evenals, in voorkomend
geval, het herstellen van banden, het uitbalanceren van wielen of het
verrichten van andere werken van hetzelfde type;
·
de
belastingplichtigen van wie de activiteit, al dan niet uitsluitend, bestaat uit
het verkopen met plaatsing en het plaatsen van batterijen, evenals, in
voorkomend geval, het herstellen en opladen ervan;
·
iedere
andere belastingplichtige van wie de activiteit, al dan niet uitsluitend,
bestaat uit het verrichten van elk type van levering of dienstverrichting (met
uitzondering van het wassen) met betrekking tot motorvoertuigen; worden
inzonderheid bedoeld de verkoop met plaatsing en de plaatsing, evenals de
herstelling of het onderhoud van radio-, video- of telefooninstallaties, alarm-
of anti-diefstalsystemen, airconditioning, voorruiten, schuifdaken,
zetelbekledingen, trekhaken, schokdempers, boordcomputers, ... evenals het
demonteren, ongeacht of dit gepaard gaat met het opnieuw samenstellen, van
ieder onderdeel van een motorvoertuig, en zelfs de expertisewerkzaamheden;
Opmerking :
Voor wat meer in het bijzonder de exploitant van een parking of van een
benzinestation betreft die, zelfs indien bijkomstig, olieverversingen of kleine
dringende herstellingen aan motorvoertuigen verricht, wordt opgemerkt dat een
dergelijke exploitant ook het register moet houden en er de voertuigen in
vermelden waaraan de boogde werkzaamheden worden verricht.
Daarentegen
moeten niet in het register worden ingeschreven, de voertuigen die alleen in de
inrichting van een dergelijke exploitant worden binnengebracht om er te
parkeren of die er slechts enkele ogenblikken worden binnengebracht uitsluitend
voor de bevoorrading van brandstof, voor het nazicht van de druk van de banden
en, in voorkomend geval, om ze op te pompen, of voor het wassen van de ruiten;
·
de
belastingplichtigen die hun leveringen onderwerpen aan de bijzondere regeling
van belastingheffing over de winstmarge beoogd in artikel 58, § 4, van het
BTW-Wetboek.
24. De
volgende belastingplichtigen moeten daarentegen het register niet houden:
·
van
montage en/of assemblage en/of constructie van motorvoertuigen ;
·
van takelen
en/of stallen van motorvoertuigen;
Deze
belastingplichtigen moeten nochtans wel het register houden wanneer zij, naast
voormelde activiteit, gewoonlijk tweedehandse motorvoertuigen aankopen met het
uitsluitend doel deze weder te verkopen. In dit geval moeten alle voertuigen
erin worden vermeld, zelfs deze die, na hun gebruik voor het verrichten van
belastbare handelingen, worden doorverkocht als tweedehandse voertuigen, en
dit, vanaf het tijdstip waarop de bestemming wordt gewijzigd, met andere
woorden, van zodra de belastingplichtige deze voertuigen te koop aanbiedt in
zijn inrichting.
HOOFDSTUK V : INSCHRIJVING IN
HET REGISTER
25. Het
motief voor de inschrijving van een motorvoertuig in het register is zijn toegang
tot de inrichting van de betrokken belastingplichtige om er het voorwerp uit te
maken van één van de handelingen beoogd in hoofdstuk III hierboven.
Dit houdt in
dat de voertuigen die zich voor andere doeleinden in de inrichting van de
belastingplichtige bevinden, niet moeten worden vermeld in het register.
De volgende
voertuigen moeten bij wijze van voorbeeld niet worden vermeld in het
register :
·
de
directiewagens ;
·
de
demonstratiewagens;
·
de
verhuurwagens ;
·
de
vervangwagens ;
·
de
nieuwe wagens in stock in de showroom (z. evenwel nummer 11 voor wat betreft de
uitzondering met betrekking tot nieuwe voertuigen);
·
de
wagens aangekocht of overgenomen met het oog op de recuperatie van de
onderdelen ervan ;
·
de
wagens die louter geparkeerd staan en die toebehoren aan een personeelslid, een
handelsagent, een leverancier, enz.
Deze
voertuigen moeten echter wel het voorwerp uitmaken van een inschrijving in het
register van zodra hun bestemming wijzigt, met andere woorden vanaf het
tijdstip dat ze door de belastingplichtige in zijn inrichting te koop worden
aangeboden.
In het register op te nemen
vermeldingen
26. Bij
het binnenkomen van een voertuig, moet het register, waarvan een model
is opgenomen in nummer 44 van de onderhavige aanschrijving, worden aangevuld
met :
·
een
volgnummer dat bestaat uit minimum 4 posities en dat wordt genomen uit een
ononderbroken reeks van 0001 tot 9999 (kolom 1);
·
de
datum van binnenkomst van het voertuig in de inrichting van de
belastingplichtige (kolom 2);
·
de
nummerplaat of, bij gebrek daaraan, het chassisnummer van het voertuig (kolom
3);
·
indien
het voertuig wordt verstuurd vanuit een andere Lidstaat, door of voor rekening
van een in die Lidstaat voor de BTW geïdentificeerde belastingplichtige, met
het oog op het verrichten van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1,
tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek of een expertise of een materieel werk,
ander dan een maakloonwerk, het BTW-identificatienummer van de opdrachtgever
toegekend door de andere Lidstaat (artikel 22 van de Zesde BTW-richtlijn). Dit
BTW-identificatienummer moet worden voorafgegaan door de code van het land dat
dit nummer heeft toegekend (kolom 4) ;
·
de
code ter identificering van de aard van de handeling (kolom 5).
De code die
wordt gebruikt om de aard van de handeling vast te stellen dient verplicht
één van de hierna in functie van de aard van de beoogde handelingen
gedefinieerde codes te zijn. Het gebruik van andere codes (cijfers of letters)
is verboden.
Vier codes
werden voorzien. Deze codes worden uitgedrukt door de cijfers 1 tot 4.
27. CODES
DIE DE AARD VAN DE HANDELING VASTSTELLEN
Code 1
De code
uitgedrukt door het cijfer "1" wordt gebruikt ter identificering van
de leveringen van goederen, de handelingen van onderhoud, herstelling,
omvorming, installatie - andere dan deze die volledig onder waarborg worden
verricht (beoogd door code 2) of die betrekking hebben op de tweedehandse
vervoermiddelen bestemd voor de verkoop (code 4) - alsmede van elke andere
handeling die niet strikt bedoeld wordt door de codes 2 en 3.
Voor zover
het voertuig het voorwerp uitmaakt van een handeling als bedoeld door de code
"1", maar ook van handelingen bedoeld door de codes 2 en/of 3, wordt enkel
de code 1 gebruikt.
Code 2
De code
uitgedrukt door het cijfer "2" wordt gebruikt ter identificering van
de handelingen (leveringen van goederen en dienstverrichtingen) die volledig
worden verricht ter uitvoering van een waarborgverplichting.
Indien een
handeling wordt verricht deels onder waarborg en deels op kosten van de klant
of van enig andere persoon, dient de code "1" te worden gebruikt.
Code 3
De code
uitgedrukt door het cijfer "3" wordt gebruikt indien het voertuig,
tijdens zijn verblijf in de inrichting van de belastingplichtige, uitsluitend
het voorwerp uitmaakt van een bestek, onder bezwarende titel of om niet.
Code 4
De code uitgedrukt
door het cijfer "4" wordt in hoofde van de belastingplichtige die het
register moet houden, gebruikt ter identificering van, hetzij de levering van
een tweedehands motorvoertuig voor zijn eigen rekening, hetzij zijn tussenkomst
als tussenpersoon bij een dergelijke levering.
Als deze
levering of de tussenkomst bij deze levering eveneens aanleiding geeft tot het
verrichten, door de belastingplichtige die het register moet houden, van een
handeling bedoeld door de codes 1 en/of 2 en/of 3, zal steeds de code
"4" worden gebruikt.
Voorbeelden :
a) De belastingplichtige is
tussenpersoon bij de levering van een tweedehands voertuig waaraan hij
herstellingen moet verrichten voor rekening van de verkoper. Bijgevolg worden
twee handelingen gesteld beoogd door het register, met name de tussenkomst bij
de verkoop van een tweedehands voertuig en de herstelling van dit voertuig.
Niettemin moet enkel de code 4 worden vermeld.
b) De belastingplichtige is
tussenpersoon bij de levering van een tweedehands voertuig waaraan hij
herstellingen moet verrichten voor rekening van de koper. In dit geval moet de
code 4 die werd ingeschreven in het register op het tijdstip van het
binnenkomen van het voertuig in de inrichting van de belastingplichtige niet
gewijzigd worden naar aanleiding van de herstellingen verricht voor rekening
van de koper.
Opmerking
Wanneer een
voertuig dat onder een welbepaalde code werd ingeschreven het voorwerp uitmaakt
van een handeling die niet was voorzien op het tijdstip van het binnenkomen van
dat voertuig in de inrichting van de garagehouder en deze handeling een
wijziging van de oorspronkelijk ingeschreven code met zich meebrengt, dient als
volgt te worden gehandeld : deze handeling geeft geen aanleiding
tot een nieuwe inschrijving in het register. De nieuwe code moet in het
register na de oorspronkelijk ingeschreven code worden vermeld.
Laatstgenoemde code mag in geen enkel geval worden doorgehaald of veranderd in
een andere code.
De toevoeging
van de nieuwe code moet zonder uitstel worden verricht, van zodra de
belastingplichtige kennis heeft van de handeling die aanleiding geeft tot de
wijziging van de code.
Uiteraard is
deze procedure enkel van toepassing indien het betrokken voertuig de inrichting
van de garagehouder niet heeft verlaten sedert de inschrijving van de
oorspronkelijke code.
Voorbeelden
a) Een
voertuig wordt binnengebracht in de inrichting van de garagehouder om er het
voorwerp uit te maken van een aan een eventuele herstelling voorafgaand
bestek.
De code 3
moet worden ingeschreven in het register.
De eigenaar
beslist vervolgens, zonder dat het voertuig de inrichting van de garagehouder
heeft verlaten, om de herstelling te laten uitvoeren.
De code 3
moet worden aangevuld met de code 1 (zie volgnummer 3 van het model van het register in nummer 44
hieronder).
b) Op 22 mei
2004 wordt een voertuig binnengebracht in de inrichting van de garagehouder met
het oog op het uitvoeren van een herstelling.
De code 1
moet worden ingeschreven in het register.
Een week
later, namelijk op 29 mei 2004, beslist de eigenaar, gegeven de kostprijs van
de herstelling, en zonder dat het voertuig de inrichting van de garagehouder heeft
verlaten :
1) om het
voertuig te verkopen door bemiddeling van deze garagehouder.
De
oorspronkelijk in het register ingeschreven code 1 moet worden aangevuld met de
code 4.
2) om het
voertuig te verkopen aan de garagehouder die de onderdelen ervan zal
recupereren.
De
oorspronkelijk in het register ingeschreven code 1 blijft behouden, daar de
nieuwe bestemming geen wijziging van code met zich meebrengt.
Evenwel, op
het tijdstip van de wijziging van de bestemming, moet de inschrijving van dit
voertuig in het register worden afgesloten door in de kolom voorzien voor de
vermelding van de datum van het verlaten van de inrichting (kolom 6) de datum
van wijziging van de bestemming in te vullen en in kolom 7 de verwijzing,
naargelang het geval, naar de factuur uitgereikt door de leverancier of door de
belastingplichtige zelf (artikel 6 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1)
of naar het verantwoordingsstuk beoogd in artikel 10 van voormeld koninklijk
besluit nr. 1 (zie
volgnummer 4 van het model van het register in nummer 44 hieronder).
28. Zodra het
voertuig de inrichting van de belastingplichtige verlaat, moet de kolom van het
register voorzien voor de vermelding van de datum van het verlaten van de
inrichting (kolom 6) zonder uitstel worden ingevuld.
29. Bovendien
moet het register eveneens worden aangevuld met een verwijzing naar het stuk
ter verantwoording van het vertrek of de afwezigheid van het voertuig (kolom
7).
Dit
verantwoordingsstuk betreft :
·
hetzij
een uitgaande factuur, opgemaakt door de belastingplichtige;
·
hetzij
een inkomende factuur of een in artikel 10 van het voormeld koninklijk besluit
nr. 1 bedoeld stuk opgemaakt door de belastingplichtige (indien het voertuig
werd binnengebracht in de inrichting van de belastingplichtige met het oog op
het eraan verrichten van één of meerdere handelingen beoogd door de codes 1 tot
3 zoals beschreven in nummer 27 hierboven, en bijgevolg reeds werd ingeschreven
in het register, maar uiteindelijk werd ingekocht door de belastingplichtige
die het register moet bijhouden met het oog op het recupereren van de
onderdelen ervan);
·
hetzij
een verantwoordingsstuk opgemaakt door de belastingplichtige en beoogd in
artikel 15, § 2, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 ter verantwoording
van de inschrijvingen verricht in het dagboek van ontvangsten.
Opmerking :
Het is mogelijk dat twee facturen werden opgemaakt met betrekking tot één
inschrijving in het register. In dergelijk geval moet in de daartoe voorziene
kolom een verwijzing naar de beide facturen worden ingeschreven.
Voorbeeld :
Een belastingplichtige is koper/wederverkoper (commissionair in de zin van
artikel 13 van het BTW-Wetboek) bij de levering van een tweedehands voertuig
waaraan hij een herstelling verricht voor rekening van de verkoper. Een eerste
factuur zal worden uitgereikt aan de verkoper met betrekking tot de verrichte
herstellingen en een tweede aan de koper met betrekking tot de verkoop van het
voertuig.
Anderzijds
dient, ingeval geen enkel stuk werd opgemaakt, de reden voor het niet opmaken
van een stuk te worden vermeld in het register.
Dit zal
meerbepaald het geval zijn als de belastingplichtige handelingen onder waarborg
verricht.
Deze
vermelding mag worden vervangen door een code, met uitsluiting van de cijfers 1
tot 4, op voorwaarde dat de sleutel voor deze code beschikbaar is ingeval van
een controle door de Administratie.
30. De
inschrijvingen in dit register worden zonder enig wit vlak noch leemte
verricht; in geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving
leesbaar blijven.
Tijdstip van inschrijving
31. De
vermeldingen beoogd onder nummer 26 hierboven moeten in het register worden
aangebracht vanaf het tijdstip van binnenkomen van een
tweedehands motorvoertuig in de inrichting van de betrokken belastingplichtige
om één of meerdere handelingen zoals beoogd in hoofdstuk III hierboven te
ondergaan,
Deze
vermeldingen moeten eveneens worden aangebracht vanaf het tijdstip dat een
wijziging in de bestemming van de voertuigen die toebehoren aan de
belastingplichtige zoals demonstratie-, directie- , huurwagens, … wordt
doorgevoerd en voor zover die voertuigen in zijn inrichting te koop worden
aangeboden.
Met het oog
op het uitvoeren van bepaalde werken wordt soms met de klant overeengekomen dat
deze zijn voertuig tijdens de sluitingsuren in de inrichting van de
belastingplichtige binnenbrengt en de sleutels van het voertuig in de
brievenbus deponeert. In dat geval moet het voertuig zonder uitstel in het
register worden ingeschreven van zodra de inrichting opent.
Het is van
belang op te merken dat de code beoogd onder nummer 27 hierboven en die moet
worden ingeschreven vanaf het tijdstip dat het voertuig de inrichting van de
belastingplichtige binnenkomt uiteraard afhangt van de aard van de handeling
die het voertuig wordt geacht te ondergaan. Bijgevolg, indien de bestemming die
oorspronkelijk werd gegeven aan het voertuig wordt gewijzigd voordat het voertuig
de inrichting van de betrokken belastingplichtige verlaat, moet in voorkomend
geval een wijziging van de code worden uitgevoerd overeenkomstig de regels
opgenomen onder nummer 27 van zodra deze wijziging is gekend. De wijziging
gebeurt door de nieuwe code naast de oorspronkelijk vermelde code aan te
brengen.
Indien een
voertuig in de inrichting van de garagehouder aanwezig is zonder dat een
inschrijving in het register is vereist en daarna een handeling beoogd door het
register moet ondergaan, dan dient dit voertuig zonder uitstel te worden
ingeschreven van zodra de aard van deze handeling is gekend.
Voorbeeld :
Een nieuw voertuig bestemd om te worden verkocht bevindt zich in de showroom
van de belastingplichtige. Een klant verwerft het voertuig maar wenst dat het
uitgerust wordt met een LPG-systeem. Vanaf het tijdstip dat de
belastingplichtige wordt ingelicht over de aan dit voertuig uit te voeren
handelingen, moet hij dit voertuig in zijn register inschrijven.
De onder
nummer 28 beoogde inlichting, te weten de datum van uitgang, zal worden
aangevuld op het tijdstip van de uitgang van het voertuig
De onder
nummer 29 beoogde inlichting zal worden ingevuld ten laatste op
het einde van de maand die volgt op deze waarin het voertuig de inrichting van
de betrokken belastingplichtige heeft verlaten.
HOOFDSTUK VI : MOGELIJKHEID OM HET
REGISTER OP PAPIER TE VERVANGEN DOOR EEN GEINFORMATISEERD REGISTER (artikel 29, 2e lid, van
voormeld koninklijk besluit nr. 1)
32. De
administratie staat, onder bepaalde hierna beschreven voorwaarden, toe dat het
register op papier wordt vervangen door een register dat op geïnformatiseerde
wijze wordt gehouden. Het geïnformatiseerd register kan op twee mogelijke
manieren worden gehouden. Zij maken het voorwerp uit van de twee afdelingen van
dit hoofdstuk.
De aandacht
wordt gevestigd op het feit dat de keuze om het register op geïnformatiseerde
wijze te houden, alsook de keuze van het type van geïnformatiseerd register
door de belastingplichtige moeten worden gemaakt voor het geheel van de
activiteiten van een exploitatiezetel. Het is uitgesloten dat het register
gedeeltelijk op geïnformatiseerde wijze zou worden gehouden (zie evenwel nummer
34 hieronder ingeval de belastingplichtige een vergunning heeft verkregen om
meerdere registers te houden voor éénzelfde exploitatiezetel) of dat de twee
mogelijke manieren van geïnformatiseerd register zouden worden gebruikt voor
éénzelfde exploitatiezetel.
Afdeling 1 : Geïnformatiseerd
register op basis van "garagefiches" die worden vervaardigd door een
erkende drukker
33. Het
register op papier kan worden vervangen door een geïnformatiseerd register dat
gebaseerd is op de "garagefiches" vervaardigd door een door de
administratie erkende drukker, onder de volgende voorwaarden :
1° de
belastingplichtige moet vooraf, bij ter post aangetekende brief, het
hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert, in kennis stellen
van zijn voornemen om het register te vervangen door een geïnformatiseerde
procedure, gebaseerd op de door een erkende drukker vervaardigde
"garagefiches", dit overeenkomstig nummer 33 van de onderhavige
aanschrijving. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat een dergelijk
verzoek moet worden ingediend door alle belastingplichtigen die het door
de onderhavige aanschrijving bedoelde register op papier wensen te vervangen
door een geïnformatiseerd register, zelfs door diegenen die reeds het door de
aanschrijving nr. 4 van 22 februari 1995 en/of het door de aanschrijving nr. 5
van 2 maart 1995 bedoelde register op geïnformatiseerde wijze hielden. Teneinde
te genieten van de terugwerkende kracht van de vergunning tot op de datum van
inwerkingtreding van de onderhavige aanschrijving, moet het verzoek worden
ingediend tegen uiterlijk 30 juni 2004. Wat de ondernemingen betreft die
meerdere exploitatiezetels bezitten, duidt de brief die zetels aan waarvoor de
vergunning wordt aangevraagd. Indien binnen de maand geen tegenbericht wordt
ontvangen van het hoofd van het betrokken controlekantoor, mag de belastingplichtige
gebruik maken van deze procedure;
2° bij het
binnenkomen, in de inrichting van de belastingplichtige, van het voertuig dat
het voorwerp moet uitmaken van één of meerdere van de in het hoofdstuk III
hierboven bedoelde handelingen, dient een "garagefiche" te worden
opgemaakt. Een garagefiche moet m.a.w. worden opgemaakt voor elk voertuig
dat het voorwerp moet uitmaken van een inschrijving in het register, met
inbegrip dus van de tweedehandse voertuigen bestemd voor de wederverkoop en
van deze die, na een wijziging in de bestemming ervan, moeten worden
ingeschreven in het register (bijvoorbeeld de directiewagens, de
demonstratiewagens of de vervangwagens die de belastingplichtige beslist te
koop aan te bieden in zijn inrichting). Deze fiche moet op kosten van de
belastingplichtige worden vervaardigd door een door de administratie erkende
drukker voor het drukken van officiële documenten inzake BTW; één enkel
exemplaar, zonder uitscheurblad, volstaat;
3° de
"garagefiche" moet de volgende voorgedrukte vermeldingen bevatten :
a) de benaming en het adres van
de belastingplichtige en, in voorkomend geval, de aanduiding van zijn
exploitatiezetel waarvoor de documenten zijn bestemd;
b) zijn BTW-identificatienummer;
c) een kader voorbehouden voor het
drukken van de volgende vermeldingen :
·
"Belasting
over de toegevoegde waarde";
·
"Inschrijving
van voertuigen";
·
een
waarmerk waarvan het cliché door de administratie aan de drukker is verstrekt ;
·
een
volgnummer genomen uit een reeks van 00.001 tot 99.999, waarbij iedere reeks
wordt aangeduid door één of meerdere letters van het alfabet ;
·
de
naam van de drukker ;
·
een
druknummer, waardoor het mogelijk is de maand en het jaar van het drukken te
bepalen (b.v. 05/2004 voor de documenten gedrukt in mei 2004).
Om redenen
van interne organisatie mag de fiche worden gedrukt in meer dan één exemplaar,
maar in dat geval mogen de bijkomende exemplaren niet de vermeldingen
"Belasting over de toegevoegde waarde" en "Inschrijving van
voertuigen" bevatten, noch het waarmerk dragen ;
4° op het
tijdstip van het binnenkomen van het voertuig in de inrichting van de garagist
moet de "garagefiche" verplicht worden aangevuld met de volgende
vermeldingen:
De
belastingplichtige mag deze fiche vervolgens gebruiken in het kader van zijn
economische activiteit door de vermeldingen die hij nuttig acht erop aan te
brengen ;
5° het is het
nummer van de gebruikte fiche dat in het geïnformatiseerd register zal worden
ingegeven als volgnummer (kolom 1).
De
"garagefiches" moeten worden gebruikt in de volgorde van hun
nummering; ondernemingen die evenwel om organisatorische redenen deze
voorwaarde niet kunnen naleven, moeten dit in de aan het controlekantoor
gerichte brief melden ; zij dienen in dat geval een tabel bij te houden waarin
zij, naarmate van het gebruik, de nummers van de gebruikte fiches en de dienst
waarvoor zij bestemd zijn, aantekenen ;
6° drie
listings, gedateerd en genummerd volgens een ononderbroken reeks, dienen te
worden gedrukt op papier :
De eerste
listing heeft betrekking op de voertuigen die sinds het opstellen van de
vorige listing in de inrichting zijn binnengekomen (kolom 2). Deze listing moet
minstens éénmaal per week worden afgedrukt.
De tweede
listing betreft de voormelde voertuigen die in de loop van een volledige
kalendermaand de onderneming hebben verlaten (kolom 6). Deze listing moet
éénmaal per maand worden afgedrukt van zodra alle vermeldingen met
betrekking tot de betrokken voertuigen in het register zijn aangebracht, d.w.z.
wanneer de kolom 7 aangaande de verwijzing naar het stuk ter rechtvaardiging
van het buitengaan van het voertuig of naar de reden van het ontbreken van een
dergelijk stuk (zie nummer 29 hierboven) is aangevuld, en uiterlijk op het
einde van de maand die volgt op de maand waarin de voertuigen de onderneming
hebben verlaten.
Voorbeeld :
Voor alle voertuigen die de inrichting van de belastingplichtige hebben
verlaten in de loop van de maand mei 2004 zal de erop betrekking hebbende
listing moeten worden afgedrukt van zodra kolom 7 zal zijn vervolledigd voor
alle betrokken voertuigen, hetzij ten laatste op 30 juni 2004.
De derde
listing betreft de voertuigen die zich nog in de onderneming bevinden
(d.w.z. waarvoor de kolom met betrekking tot de datum van het buitengaan van
het voertuig (kolom 6) blanco is gebleven). Deze listing moet minstens éénmaal
per week worden afgedrukt. Dit houdt in dat een voertuig dat werd vermeld op de
listing van week nr. 1 en dat zich nog altijd in de inrichting van de
belastingplichtige bevindt op het tijdstip waarop de listing van de volgende
week wordt afgedrukt, opnieuw op de listing van week nr. 2 zal voorkomen,
enzovoort tot het de onderneming heeft verlaten.
De al dan
niet reeds gebruikte "garagefiches", de listings op papier en de
digitale gegevens vormen een geheel van gegevens dat zal kunnen worden aanvaard
ter vervanging van het op papier opgemaakte register ;
7° in geval
van controle van het register en op verzoek van de controleamtenaar, zullen de
gegevens die nog niet op een listing zijn afgedrukt (z. 6° hierboven) en dit
zowel voor de eerste, de tweede als de derde listing, onmiddellijk op papier
worden afgedrukt in een leesbare en verstaanbare vorm ; de bepalingen van
artikel 61, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek, zijn volledig van toepassing
;
8°
overeenkomstig artikel 28, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29
december 1992, is de belastingplichtige ertoe gehouden om, uiterlijk op het
einde van de maand die volgt op de maand waarin het voertuig zijn inrichting
heeft verlaten, in het gedigitaliseerd register een verwijzing aan te brengen
naar het stuk ter rechtvaardiging van het buitengaan van het voertuig of naar
de reden van het ontbreken van een dergelijk stuk (zie nummer 29 hierboven).
Deze vermelding kan worden aangebracht door middel van een code, verschillend
van de cijfers 1 tot 4, op voorwaarde dat de sleutel van deze code beschikbaar
is ten tijde van een controle door de administratie ;
9° iedere
inbreuk op de voorwaarden uiteengezet in nummer 33, 1° tot 8°, hierboven, heeft
de onmiddellijke intrekking van de betrokken vergunning tot gevolg. De
vergunning zal meer bepaald worden ingetrokken wanneer misbruiken worden
vastgesteld of wanneer de controletaak van de administratie op enigerlei wijze
wordt bemoeilijkt.
34. In de
mate waarin de belastingplichtige, overeenkomstig nummer 40 hieronder, de
vergunning heeft bekomen om meerdere registers te houden voor éénzelfde
exploitatiezetel, verzet niets zich ertegen dat bepaalde registers worden
gehouden op papier en andere op geïnformatiseerde wijze, gebaseerd op de
"garagefiches", voor zover althans het in nummer 33, 1°, hierboven
bedoelde verzoek de registers aanduidt waarvoor een vergunning wordt
aangevraagd om ze op geïnformatiseerde wijze te houden en op voorwaarde dat in
het geval er meerdere registers worden gehouden volgens een geïnformatiseerde
procedure, elk geïnformatiseerd register steunt op een reeks
"garagefiches" die het voorwerp uitmaakt van een afzonderlijke
nummering.
Afdeling 2 : Geïnformatiseerd
register op basis van een ontvangstdocument
35. Het
register op papier kan worden vervangen door een geïnformatiseerd register dat
gebaseerd is op een ontvangstdocument opgemaakt door de belastingplichtige en
ondertekend door zijn klant, zonder gepaard te gaan met de opmaak van
"garagefiches", vervaardigd door een door de administratie erkende
drukker, en dat onder de volgende voorwaarden :
1° de
belastingplichtige moet vooraf, bij ter post aangetekende brief, het
hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert, in kennis stellen
van zijn voornemen om het register te vervangen door een geïnformatiseerde
procedure, gebaseerd op een document dat hij opmaakt en dat hij laat
ondertekenen door zijn klant, dit overeenkomstig nummer 35 van de
onderhavige aanschrijving. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat een
dergelijk verzoek moet worden ingediend door alle belastingplichtigen
die het door de onderhavige aanschrijving bedoelde register op papier wensen te
vervangen door een geïnformatiseerd register, zelfs door diegenen die reeds het
door de aanschrijving nr. 4 van 22 februari 1995 en/of het door de
aanschrijving nr. 5 van 2 maart 1995 bedoelde register op geïnformatiseerde
wijze hielden. Teneinde te genieten van de terugwerkende kracht van de
vergunning om het register op geïnformatiseerde wijze te houden tot op de datum
van inwerkingtreding van de onderhavige aanschrijving, moet het verzoek worden
ingediend tegen uiterlijk 30 juni 2004. Wat de ondernemingen betreft die
meerdere exploitatiezetels bezitten, duidt de brief die zetels aan waarvoor de
vergunning wordt aangevraagd. Indien binnen de maand geen tegenbericht wordt
ontvangen van het hoofd van het betrokken controlekantoor, mag de
belastingplichtige gebruik maken van deze procedure;
2° bij het
binnenkomen, in de inrichting van de belastingplichtige, van het voertuig dat
het voorwerp moet uitmaken van één of meerdere van de in het hoofdstuk III
hierboven bedoelde handelingen, dient een algemeen ontvangstdocument te
worden opgemaakt. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat het hier niet
gaat om een document dat wordt vervaardigd door een erkende drukker. Wel
betreft het, in regel, een typedocument dat in het bijzonder door de
belastingplichtige specifiek wordt opgemaakt om te dienen als algemeen
ontvangstdocument in het kader van het op een geïnformatiseerde wijze houden
van het register;
3° het
algemeen ontvangstdocument is een intern stuk dat nooit moet worden
ingeschreven in het boek voor inkomende facturen, noch in het boek voor
uitgaande facturen, en evenmin in het dagboek van ontvangsten van de
belastingplichtige ;
4° op het
tijdstip van het binnenkomen van het voertuig in de inrichting van de
belastingplichtige, maakt deze het algemeen ontvangstdocument op dat ten minste
de volgende vermeldingen moet bevatten :
·
de
coördinaten van de belastingplichtige die het register moet houden (naam of
maatschappelijke benaming, adres en BTW-identificatienummer van de
belastingplichtige) ;
·
een
volgnummer genomen uit een ononderbroken reeks van 00.001 tot 99.999. Dit
nummer moet in het geïnformatiseerd register worden ingebracht als volgnummer
(kolom 1). De documenten moeten derhalve worden gebruikt in de volgorde van hun
nummering. Ondernemingen die evenwel om organisatorische redenen deze
voorwaarde niet kunnen naleven, moeten dit in de aan het controlekantoor
gerichte brief vermelden ; zij dienen in dat geval een tabel bij te houden
waarin zij, naarmate van het gebruik, de nummers van de gebruikte documenten en
de dienst waarvoor zij bestemd zijn, aantekenen ;
·
de
datum waarop het document wordt vervolledigd (die samenvalt met de datum van
het binnenkomen van het voertuig in de inrichting van de belastingplichtige) ;
·
de
nummerplaat van het voertuig, of, bij gebreke daaraan, het chassisnummer ;
·
een
omschrijving van de te verrichten handelingen als bedoeld in hoofdstuk III van
de onderhavige aanschrijving ;
·
de
coördinaten van de klant (naam of maatschappelijke benaming, adres en, in
voorkomend geval, BTW-identificatienummer). In geval van wijziging van de
bestemming van het voertuig (bij ontstentenis van een medecontract) worden de
coördinaten van de klant vervangen door deze van de belastingplichtige ;
·
de
handtekening van de klant. In geval van wijziging van de bestemming van het
voertuig of van afwezigheid van de medecontractant op het tijdstip waarop het
document wordt vervolledigd, moet het document worden ondertekend door de
belastingplichtige zelf ;
Opmerking : In geval het voertuig zich reeds
bevond in de inrichting van de garagist, maar het desondanks moet worden
ingeschreven in het register als gevolg van een wijziging van de bestemming
ervan, moet het ontvangstdocument worden opgemaakt van zodra die wijziging van
bestemming zich voordoet.
5° het
document wordt opgemaakt in twee exemplaren en één exemplaar wordt overhandigd
aan de klant (het voor de klant bestemde tweede exemplaar kan bestaan uit een
fotokopie van het origineel document) ;
6° twee
afwijkingen op de opmaak van een algemeen ontvangstdocument worden
voorzien. Hierbij wordt het algemeen ontvangstdocument vervangen door een
specifiek ontvangstdocument (eerste afwijking) of door een boekhouddocument
(tweede afwijking) dat eigen is aan de te verrichten handeling, bedoeld door
het register.
1) Eerste
afwijking :
Teneinde de
administratieve organisatie van de belastingplichtige te vergemakkelijken,
aanvaardt de administratie dat het in nummer 35, 2°, hierboven, bedoelde
algemeen ontvangstdocument wordt vervangen door hoogstens één specifiek
ontvangstdocument per code van handeling als gedefinieerd in nummer 27
hierboven.
Het specifiek
ontvangstdocument bestaat uit een intern stuk dat verschilt van een
boekhouddocument en dat niet moet worden ingeschreven in het boek voor
inkomende facturen, noch in het boek voor uitgaande facturen, en evenmin in het
dagboek van ontvangsten van de belastingplichtige.
De
belastingplichtige mag dit document naar goeddunken gebruiken in het kader van
zijn economische activiteit, in zover althans de volgende voorwaarden worden
vervuld :
·
het
algemeen ontvangstdocument mag worden vervangen hoogstens door vier
onderscheiden specifieke ontvangstdocumenten, waarbij elk ervan overeenstemt
met de handelingen als bedoeld onder één van de in nummer 27 hierboven bedoelde
codes van 1 tot 4. De belastingplichtige heeft derhalve de mogelijkheid om het
algemeen ontvangstdocument (geldig voor de 4 codes van handelingen) te
vervangen door een specifiek ontvangstdocument voor de handelingen als bedoeld
door één, twee, drie of vier codes van handelingen, wat aanleiding geeft tot de
opmaak, respectievelijk, van één, twee, drie of vier types van specifieke
ontvangstdocumenten ;
·
als
de belastingplichtige het algemeen ontvangstdocument slechts vervangt door een
specifiek ontvangstdocument voor de handelingen die worden bedoeld door
bepaalde codes van handelingen en niet door de vier, moet het algemeen
ontvangstdocument worden gebruikt voor de overblijvende code(s) ;
·
het
specifiek ontvangstdocument moet worden opgemaakt op het tijdstip van het
binnenkomen van het voertuig in de inrichting van de belastingplichtige en
dient ten minste alle in nummer 35, 4°, hierboven uiteengezette vermeldingen
van het algemeen ontvangstdocument te bevatten. Wat de nummering van het
document betreft, moet als volgt worden te werk gegaan :
· elk document moet een volgnummer,
genomen uit een ononderbroken reeks van 00.001 tot 99.999, vermelden. Elk type
van gebruikt document beschikt over zijn eigen reeks volgnummers.
Voorbeeld : in geval de belastingplichtige
beslist om het algemeen ontvangstdocument enkel te gebruiken voor de
handelingen bedoeld door één van de vier in nummer 27 hierboven uiteengezette
codes en dat document te vervangen door een specifiek ontvangstdocument voor de
handelingen die worden bedoeld door de drie andere codes, zullen vier reeksen
van volgnummers moeten worden gebruik ; één voor het algemeen ontvangstdocument
en één voor elk van de drie onderscheiden types van specifieke
ontvangstdocumenten.
De documenten moeten worden gebruikt
in de volgorde van hun nummering. Ondernemingen die evenwel om organisatorische
redenen deze voorwaarde niet kunnen naleven, moeten dit in de aan het
controlekantoor gerichte brief melden ; zij dienen in dat geval een tabel bij
te houden waarin zij, naarmate van het gebruik, de nummers van de gebruikte
documenten en de dienst waarvoor zij bestemd zijn, aantekenen;
· elk document moet een tweede
volgnummer, genomen uit een ononderbroken reeks van 00.001 tot 99.999,
vermelden, nummer dat geldt voor het geheel van de ontvangstdocumenten die bedoeld
worden in onderhavig nummer 35. Het is dit nummer dat in het geïnformatiseerd
register wordt ingeschreven als volgnummer (kolom 1) ;
·
het
specifiek ontvangstdocument moet worden opgemaakt in twee exemplaren en één
exemplaar wordt overhandigd aan de klant (het voor de klant bestemde tweede
exemplaar kan bestaan uit een fotokopie van het origineel document) ;
2) Tweede
afwijking :
Teneinde de
administratieve organisatie van de belastingplichtige te vergemakkelijken,
aanvaardt de administratie dat, in geval de belastingplichtige één of
meerdere voertuigen aankoopt, het in nummer 35, 2°, hierboven, bedoelde
algemeen ontvangstdocument wordt vervangen door het boekhouddocument dat deze
aankoop vaststelt. Het gaat hier dan hetzij om de door de leverancier ( of door
zijn klant – belastingplichtige die het register moet houden – in geval van
toepassing van artikel 6, § 1, van voormeld koninklijk besluit nr. 1)
opgemaakte verkoopfactuur, hetzij om het aankoopborderel (zoals bedoeld door de
aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995) indien het voertuig gaat onderworpen
worden aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge,
hetzij om het in artikel 10 van datzelfde koninklijk besluit nr. 1 bedoelde
document.
Het algemeen
ontvangstdocument kan worden vervangen door één van deze boekhouddocumenten in
geval van aankoop van een voertuig in hoofde van een belastingplichtige die het
register moet houden, voor zover :
·
dit
document, naar zijn aard, alle regels eerbiedigt die eraan eigen zijn (verplichte vermeldingen, opmaak van
het document in twee exemplaren, …);
·
dit
document ten laatste bij het binnenkomen van het voertuig in de inrichting van
de belastingplichtige wordt opgemaakt ;
·
de
twee exemplaren van dit document worden vervolledigd met :
· de datum waarop het betrokken
voertuig de inrichting van de belastingplichtige binnenkomt (in het geval
waarin die datum verschilt van deze van de opmaak van het document) ;
·
een
volgnummer, genomen uit een ononderbroken reeks van 00.001 tot 99.999, dat
geldt voor het geheel van de ontvangstdocumenten als bedoeld in onderhavig
nummer 35. Het is dit nummer dat in het geïnformatiseerd register wordt
ingeschreven als volgnummer (kolom 1);
·
in
geval dit document een factuur uitmaakt, de handtekening van de klant
(belastingplichtige die het register moet houden) ;
·
in
geval dit document het stuk is als bedoeld in artikel 10 van voormeld
koninklijk besluit nr. 1, het chassisnummer van het voertuig.
Tenslotte wordt
opgemerkt dat de belastingplichtige deze tweede afwijking mag toepassen zelfs
in het geval hij geen gebruik maakt van de eerste afwijking.
7° drie
listings, gedateerd en genummerd volgens een ononderbroken reeks, dienen te
worden gedrukt op papier :
De eerste
listing heeft betrekking op de voertuigen die sinds het opstellen van de
vorige listing in de inrichting zijn binnengekomen (kolom 2). Deze listing moet
minstens éénmaal per week worden afgedrukt.
De tweede
listing betreft de voormelde voertuigen die in de loop van een volledige
kalendermaand de onderneming hebben verlaten (kolom 6). Deze listing moet
éénmaal per maand worden afgedrukt van zodra alle vermeldingen met
betrekking tot de betrokken voertuigen in het register zijn aangebracht, d.w.z.
wanneer de kolom 7 aangaande de verwijzing naar het stuk ter rechtvaardiging
van het buitengaan van het voertuig of naar de reden van het ontbreken van een
dergelijk stuk (zie nummer 29 hierboven) is aangevuld, en uiterlijk op het
einde van de maand die volgt op de maand waarin de voertuigen de onderneming
hebben verlaten.
Voorbeeld :
Voor alle voertuigen die de inrichting van de belastingplichtige hebben
verlaten in de loop van de maand mei 2004 zal de erop betrekking hebbende
listing moeten worden afgedrukt van zodra kolom 7 zal zijn vervolledigd voor
alle betrokken voertuigen, hetzij ten laatste op 30 juni 2004.
De derde
listing betreft de voertuigen die zich nog in de onderneming bevinden
(d.w.z. waarvoor de kolom met betrekking tot de datum van het buitengaan van
het voertuig (kolom 6) blanco is gebleven). Deze listing moet minstens éénmaal
per week worden afgedrukt. Dit houdt in dat een voertuig dat werd vermeld op de
listing van week nr. 1 en dat zich nog altijd in de inrichting van de
belastingplichtige bevindt op het tijstip waarop de listing van de volgende
week wordt afgedrukt, opnieuw op de listing van week nr. 2 zal voorkomen,
enzovoort tot het de onderneming heeft verlaten.
De
boekhouddocumenten en de algemene en specifieke ontvangstdocumenten (bedoeld in
nummer 35, 2° en 6° hierboven), de listings op papier en de digitale gegevens
vormen een geheel van gegevens dat zal kunnen worden aanvaard ter vervanging
van het op papier opgemaakte register.
8° in geval
van controle van het register en op verzoek van de controleambtenaar, zullen de
gegevens die nog niet op een listing zijn afgedrukt (z. 7° hierboven) en dit
zowel voor de eerste, de tweede als de derde listing, onmiddellijk op papier
worden afgedrukt in een leesbare en verstaanbare vorm ; de bepalingen van
artikel 61, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek, zijn volledig van toepassing
;
9°
overeenkomstig artikel 28, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29
december 1992, is de belastingplichtige ertoe gehouden om, uiterlijk op het
einde van de maand die volgt op de maand waarin het voertuig zijn inrichting
heeft verlaten, in het gedigitaliseerd register een verwijzing aan te brengen
naar het stuk ter rechtvaardiging van het buitengaan van het voertuig of naar de
reden van het ontbreken van een dergelijk stuk (zie nummer 29 hierboven). Deze
vermelding kan worden aangebracht door middel van een code, verschillend van de
cijfers 1 tot 4, op voorwaarde dat de sleutel van deze code beschikbaar is ten
tijde van een controle door de administratie ;
10° iedere
inbreuk op de voorwaarden uiteengezet in nummer 35, 1° tot 9°, hierboven, heeft
de onmiddellijke intrekking van de betrokken vergunning tot gevolg. De
vergunning zal meer bepaald worden ingetrokken wanneer misbruiken worden
vastgesteld of wanneer de controletaak van de administratie op enigerlei wijze
wordt bemoeilijkt.
36. In de
mate waarin de belastingplichtige, overeenkomstig nummer 40 hieronder, de
vergunning heeft bekomen om meerdere registers te houden voor éénzelfde
exploitatiezetel, verzet niets zich ertegen dat bepaalde registers worden
gehouden op papier en andere op geïnformatiseerde wijze, gebaseerd op een
ontvangstdocument, voor zover althans het in nummer 35, 1°, hierboven bedoelde
verzoek de registers aanduidt waarvoor een vergunning wordt aangevraagd om ze
op geïnformatiseerde wijze te houden en op voorwaarde dat in het geval er
meerdere registers worden gehouden volgens een geïnformatiseerde procedure, elk
register steunt op een onderscheiden type van ontvangstdocument en,
vandaar, beschikt over zijn eigen reeks volgnummers.
HOOFDSTUK VII : TERMIJN EN
PLAATS VAN BEWARING VAN HET REGISTER
37. Krachtens
artikel 60, § 1, van het BTW-Wetboek dient het register te worden bewaard
gedurende tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het
jaar volgend op zijn sluiting.
38. Het door
de onderhavige aanschrijving beoogd register moet zich op de bedrijfszetel
bevinden tot bij het verstrijken van de derde maand volgend op zijn afsluiting.
Tijdens deze
termijn moet het register op de bedrijfszetel ter inzage worden voorgelegd op
uitdrukkelijk verzoek van de ambtenaren van de administraties die bevoegd zijn
voor de belasting over de toegevoegde waarde, de inkomstenbelasting en de
douane en accijnzen.
Nadien moet
het register worden bewaard op de administratieve hoofdzetel van de
belastingplichtige.
Er dient te
worden opgemerkt dat aan deze voorleggingsplicht moet worden voldaan zonder
enig uitstel (artikel 28, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december
1992).
Het door de
onderhavige aanschrijving beoogd register dat op papier wordt gehouden slaat
niet op een welbepaalde termijn en zal als afgesloten worden beschouwd wanneer
alle bladzijden zijn gebruikt en de kolommen 6 en 7 zijn ingevuld voor alle in
het register ingeschreven voertuigen. Het op geïnformatiseerde wijze gehouden
register daarentegen dient alle voertuigen te vermelden die tijdens een kalenderjaar
in de inrichting van de belastingplichtige zijn binnengekomen (kolom 2) en zal
derhalve als afgesloten worden beschouwd wanneer de kolommen 6 en 7 met
betrekking tot deze voertuigen zijn ingevuld.
39. Krachtens
artikel 61 van het BTW-Wetboek is eenieder gehouden de boeken en stukken die
hij moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die
de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, ter
inzage voor te leggen. Wanneer de boeken en stukken door middel van een
geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt of bewaard, hebben die
ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een
leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren
kunnen eveneens de betrokken persoon verzoeken om in hun bijzijn en op zijn
uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of
een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te
verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te
gaan.
HOOFDSTUK VIII : AANTAL
REGISTERS EN VORM VAN HET REGISTER
Afdeling 1 : aantal registers
40. In
principe dient de belastingplichtige die over meerdere bedrijfszetels beschikt,
een register te houden per bedrijfszetel.
Bovenaan elk
register wordt een verwijzing aangebracht naar de bedrijfszetel en de
inrichtingen die normaliter tot deze bedrijfszetel behoren.
Indien het
houden van slechts één register te moeilijk is wegens de indeling van de
inrichtingen die behoren tot deze bedrijfszetel, kan in voorkomend geval het
houden van meerdere registers voor die welbepaalde zetel door de administratie
worden aanvaard.
In deze
veronderstelling kan evenwel maximaal één register per activiteitscode worden
gehouden.
Om een
dergelijke afwijking te bekomen dient een gemotiveerd verzoekschrift te worden
ingediend bij het hoofd van het BTW-controlekantoor dat bevoegd is voor de
plaats waar de belastingplichtige is gevestigd.
Afdeling 2 : vorm van het
register
Het register
kan hetzij op papier, hetzij op geïnformatiseerde wijze worden gehouden.
A. Register gehouden op papier
41. Het
register moet vóór zijn eerste gebruik worden samengesteld uit bladen
die door alle passende middelen samengevoegd zijn (innaaien, nieten,
plakken van de rug,…). Het mag niet door losse bladen worden vervangen (z.
nochtans nummer 32 hierboven).
Het is niet
vereist dat het register wordt vervaardigd door een drukker erkend door de
administratie voor het vervaardigen van bepaalde andere documenten bestemd voor
BTW-doeleinden.
42. Het
register moet worden genummerd. Dit wil zeggen dat al de bladzijden of
al de bladen een nieuw nummer moeten dragen. Die nummering kan gedaan worden
ter gelegenheid van het drukken, of daarna, onder andere met de hand.
43. Vóór elk
gebruik moet het register worden voorgelegd aan het BTW-controlekantoor
waaronder de belastingplichtige ressorteert om geviseerd en geparafeerd
te worden .
De formule
van het visum mag worden gedrukt maar moet worden aangevuld met het aantal
bladzijden of bladen van het register en de aanduiding van de
belastingplichtige; ze wordt gevolgd door de stempelafdruk van het
controlekantoor.
De paraaf zal
eenvoudig bestaan in het aanbrengen van die stempelafdruk op iedere bladzijde
of ieder blad.
44. In
principe bevat het register 7 kolommen bestemd voor de inschrijving van het
volgnummer, de datum van binnenkomst van het voertuig in de inrichting van de
belastingplichtige, de nummerplaat of, bij gebrek daaraan, het chassisnummer,
eventueel het buitenlands identificatienummer van de opdrachtgever, de code die
de aard van de handeling aan het voertuig vaststelt, de datum waarop het
voertuig de inrichting van de belastingplichtige verlaat en tenslotte, de
verwijzing naar de factuur of het verantwoordingsstuk opgemaakt om de handeling
vast te stellen of, ingeval geen enkel stuk werd opgemaakt, de reden van het
ontbreken van dit stuk.
Men kan zich
laten leiden door het volgend model dat werd opgemaakt op basis van de vijf
onderstaande voorbeelden :
1. Bij de opening van zijn inrichting op
9 mei 2004 stelt de belastingplichtige vast dat een klant zijn voertuig tijdens
de sluitingsuren op zijn parking heeft achtergelaten teneinde een onderhoud te
ondergaan. Op het tijdstip van de opening vermeldt hij derhalve dit voertuig in
zijn register. De klant recupereert zijn voertuig op het einde van dag.
2. De belastingplichtige is
koper/wederverkoper bij de verkoop van een tweedehands voertuig dat wordt
binnengebracht in zijn inrichting op 15 mei 2004 en dat enkele
herstellingswerken moet ondergaan voor rekening van de verkoper. De koper neemt
het hersteld voertuig in bezit op 20 mei 2004. Een factuur met betrekking tot
de uitgevoerde herstellingswerken wordt uitgereikt aan de verkoper en een
factuur die de verkoop van het voertuig vaststelt wordt uitgereikt aan de
koper.
3. Op 20 mei 2004 vertrouwt een klant
zijn beschadigd voertuig toe aan de belastingplichtige teneinde een bestek te
bekomen met betrekking tot de uit te voeren herstelllingswerken. De
belastingplichtige vermeldt dit voertuig in zijn register onder de code 3. In
de loop van die dag deelt hij het bedrag van de herstellingswerken mee aan zijn
klant, die akkoord gaat met dit bestek en die hem opdracht geeft om het
voertuig te herstellen. De belastingplichtige vermeldt op dat tijdstip de code
1 na de initiële code 3. Het voertuig verlaat de volgende dag zijn inrichting.
4. Op 22 mei 2004 wordt een voertuig
binnengebracht in de inrichting van de belastingplichtige om het voorwerp uit
te maken van een herstelling. Het wordt derhalve ingeschreven in het register
onder de code 1. Op 29 mei 2004 oordeelt de eigenaar van het voertuig, die geen
BTW-belastingplichtige is, dat de herstellingen belangrijker zijn dan voorzien
en hij besluit het voertuig door te verkopen aan de belastingplichtige die de
onderdelen ervan zal recupereren. De belastingplichtige maakt het stuk op
beoogd in artikel 10 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 en vermeldt het
in zijn boek voor inkomende facturen onder nummer 35.
5. Op 3 juni 2004 zendt een in Frankrijk
voor de BTW geïdentificeerde belastingplichtige zijn voertuig naar de Belgische
belastingplichtige bij wie hij het twee maand daarvoor heeft verworven met een
jaar waarborg, teneinde een elektronisch probleem op te lossen. Het voertuig
verlaat de volgende dag de inrichting van de belastingplichtige.
|
Volgnummer |
Datum
van binnenkomst van het voertuig |
Nummerplaat
of chassisnummer |
Buitenlands
identificatie-nummer van de opdracht- gever |
Code(s)
met betrekking tot de aard van de handeling |
Datum
waarop het voertuig de inrichting verlaat |
Verwijzing
naar het verantwoordings-stuk of reden van afwezigheid ervan |
|
(1) |
(2) |
(3) |
(4) |
(5) |
(6) |
(7) |
|
1 |
09/05/04 |
DC686 |
/ |
1 |
09/05/04 |
Fact.
111/04 |
|
2 |
15/05/04 |
WVWZYY5MZ4Y448725 |
/ |
4 |
20/05/04 |
Fact
114/04 en 115/04 |
|
3 |
20/05/04 |
B671Y |
/ |
3-1 |
21/05/04 |
Fact
116/04 |
|
4 |
22/05/04 |
PKB783 |
/ |
1 |
29/05/04 |
Doc
35/04 |
|
5 (*) |
03/06/04 |
5894AL75 |
FR
82934379825 |
2 |
04/06/04 |
Waarborg |
[(*) Voor wat deze handeling betreft,
is de belastingplichtige vrijgesteld van de verplichting tot het houden van en
het inschrijven van het voertuig in het register beoogd in artikel 25 van het
voormeld koninklijk besluit nr. 1 (zie in dit opzicht nummer 47 van de
onderhavige aanschrijving).]
45. Voor het
overige is het register aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen. Het
volstaat dat het derwijze wordt aangelegd dat de in de nummers 26 tot 29
hierboven beoogde vermeldingen erin zijn opgenomen.
B. Geïnformatiseerd register
46. Het
register dat op geïnformatiseerde wijze wordt gehouden is aan geen bijzondere
vormvoorwaarden onderworpen, maar het moet uiteraard alle in de nummers 26 tot
29 hierboven verplichte vermeldingen bevatten en beantwoorden aan de
voorwaarden vastgelegd in hoofdstuk VI van de onderhavige aanschrijving.
Dit register
mag eveneens geïnspireerd zijn op het model opgenomen in nummer 44 hierboven.
HOOFDSTUK X : VRIJSTELLING VOOR
HET HOUDEN EN HET INSCHRIJVEN IN ANDERE REGISTERS
47. Krachtens
artikel 25, § 1, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, moet iedere
belastingplichtige een register houden van de goederen die hem door een
belastingplichtige worden toevertrouwd met het oog op de oplevering aan
laatstgenoemde van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid,
1°, van het BTW-Wetboek.
Bovendien
vermeldt de belastingplichtige eveneens, krachtens artikel 25, § 2, van
datzelfde koninklijk besluit, de goederen die hem vanuit een andere Lidstaat
werden toegezonden door of voor rekening van een in die andere Lidstaat voor
BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp uitmaken
van een expertise of van een materieel werk, ander dan een maakloonwerk in de
zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek.
Artikel 25, §
3, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 verduidelijkt echter dat deze
bepalingen niet van toepassing zijn op de handelingen die in het register
bedoeld in de onderhavige aanschrijving moeten worden ingeschreven. Wanneer een
voertuig derhalve het voorwerp dient uit te maken van een maakloonwerk in de
zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek, of, in het geval
van een belastingplichtige opdrachtgever die voor de BTW geïdentificeerd is in
een andere Lidstaat en die het voertuig vanuit die andere Lidstaat verstuurt,
van een maakloonwerk, van een expertise of van een materieel werk, ander dan
een maakloonwerk, en dit voertuig moet worden ingeschreven in het register dat
het voorwerp uitmaakt van deze aanschrijving, is de belastingplichtige ervan
ontheven dit voertuig in te schrijven in het register bedoeld in artikel
25 van het koninklijk besluit nr. 1 (zie in dit opzicht het voorbeeld nummer 5
inzake het model van het register dat werd opgenomen in nummer 44 hierboven).
HOOFDSTUK XI : SANCTIES
48. De
overtredingen op de in deze aanschrijving uiteengezette bepalingen worden
bestraft met een boete van 25 EUR tot 2.500 EUR per overtreding (z.
BTW-Wetboek, artikel 70, § 4). Het bedrag van deze boete wordt vastgesteld in
de bijlage van het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot
vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het
stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, eerste afdeling, rubrieken XI
en XVI. In voorkomend geval kan de boete worden verminderd bij toepassing van het
barema van verminderingen van de geldboeten dat werd gepubliceerd in het
Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2002.
HOOFDSTUK XII :
OPHEFFINGSBEPALINGEN EN INWERKINGTREDING
49. De
onderhavige aanschrijving treedt in werking op 1 mei 2004. Derhalve moeten alle
hierin opgenomen bepalingen verplicht vanaf deze datum worden toegepast.
50. De
aandacht wordt gevestigd op het feit dat, hoewel de wettelijke bepalingen met
betrekking tot dit nieuw register in werking zijn getreden op 1 april 2002, de
administratie geen kritiek zal uiten tegen belastingplichtigen die de registers
nog hebben bijgehouden overeenkomstig de richtlijnen van de oude artikelen 25
en 28 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, en dit tot uiterlijk 30 april
2004.
51. Deze
aanschrijving vervangt de aanschrijving nr. 4 van 22 februari 1995 en de
aanschrijving nr. 5 van 2 maart 1995 met ingang van 1 mei 2004.
Alle voorheen
genomen administratieve beslissingen met betrekking tot het houden van de in
artikel 28 oud van het koninklijk besluit nr. 1 beoogde registers, worden met
ingang van voormelde datum herroepen.
52. Er wordt
aan herinnerd dat alle belastingplichtigen die het in onderhavige
aanschrijving beoogd register op papier wensen te vervangen door een
geïnformatiseerd register, zelfs zij die het register beoogd in de
aanschrijving nr. 4 van 22 februari 1995 en/of het register beoogd in de
aanschrijving nr. 5 van 2 maart 1995 reeds op geïnformatiseerde wijze
bijhielden, een aanvraag daartoe moeten indienen overeenkomstig, naargelang het
type van geïnformatiseerd register dat zij wensen te gebruiken, nummer 33
(geïnformatiseerd register op basis van de "garagefiches" aangemaakt
door een erkende drukker) of nummer 35 (geïnformatiseerd register op basis van
een ontvangstdocument) van de onderhavige aanschrijving. Teneinde met
terugwerkende kracht te kunnen genieten van de vergunning om het register op
een geïnformatiseerde wijze bij te houden op 1 mei 2004 (datum van
inwerkingtreding van de onderhavige aanschrijving), dient de aanvraag om
vergunning te worden ingediend bij het hoofd van het BTW-controlekantoor
waaronder de belastingplichtige ressorteert tegen uiterlijk 30 juni 2004.
Voor de
Administrateur-generaal van
Belastingen en Invordering,
De Directeur,
J.
MARCKX